De advocatenwet uit 1952 regelt het beroep van advocaat.
Wie in Nederland advocaat wil worden moet een verzoek tot beëdiging doen aan de rechtbank in het arrondissement waar hij of zij zich wil vestigen. Wanneer de beëdiging heeft plaatsgevonden wordt de advocaat ingeschreven op het tableau van de plaatselijke rechtbank. Om beëdigd te worden gelden specifieke wettelijke eisen, waaronder de eis dat een universitaire juridische opleiding rechtsgeleerdheid met civiel effect (Nederlands recht) met succes is gevolgd. Gedurende de eerste drie jaren mag de advocaat niet zelfstandig zijn beroep uitoefenen. Hij of zij is dan als advocaat-stagiair werkzaam onder begeleiding van een ervaren advocaat als patroon. Als de advocaat-stagiair de verplichte beroepsopleiding heeft voltooid en daarnaast een aantal door de regionale balie voorgeschreven cursussen heeft gevolgd, krijgt hij of zij na afloop van de genoemde drie jaren een zogenaamde stageverklaring. Daarna mag hij of zij de advocatuur zelfstandig beoefenen. De advocatuur heeft vanaf 1970 een spectaculaire groei doorgemaakt. Thans staan er ongeveer 18000 advocaten ingeschreven.

Een advocaat is dus een universitair geschoold iemand die bijstand verleent en gewoonlijk als vertegenwoordiger van een partij optreedt in juridische aangelegenheden. De advocaat is verplicht lid van de Nederlandse Orde van Advocaten, welke organisatie bevoegd is nadere regels te stellen aan de beroepsuitoefening. Een belangrijke regel is onder meer dat de advocaat zich zodanig dient te gedragen dat "het vertrouwen in de advocatuur of in zijn eigen beroepsuitoefening" niet wordt geschaad.

De Orde van Advocaten stelt in de inleiding Gedragsregels hieromtrent als volgt:

De medeverantwoordelijkheid voor de rechtsbedeling brengt tevens mee dat de advocaat oog dient te hebben voor de gerechtvaardigde belangen van de wederpartij en een goed verloop van de processen. Dit is in essentie de functionele beroepswaarde van de advocaat. De advocaat is medeverantwoordelijk voor een eerlijke procesgang.

In een brief van voormalig minister Donner aan de Voorzitter van de Tweede Kamer d.d. 23 december 2004 betreffende Rechtsstaat en Rechtsorde staat o.a. het volgende:

•    De advocaat is de poortwachter tot en de begeleider op de weg naar het recht. De mate waarin de advocatuur er in slaagt deze rol goed te vervullen geeft in zekere zin de kwaliteit van de rechtsstaat weer. Kortom, een goed functionerende krachtige en integere advocatuur als poortwachter tot en onderdeel van het rechtsbestel is onmisbaar in onze samenleving.

•    De advocaat heeft een belangrijke publieke medeverantwoordelijkheid voor de effectuering van het recht. Dit betekent onder meer dat hij de plicht heeft partijdigheid voor de cliënt te combineren met een juiste toepassing van het procesrecht.

De advocaat dient zich dus ook te houden aan specifieke gedragsregels en kan bij overtreding daarvan in het ergste geval uit het beroep worden gezet (ook wel genoemd: geschrapt van het tableau). De advocaat is verplicht zich jaarlijks te laten bijscholen en wordt daarop gecontroleerd.

De Nederlandse Orde van Advocaten stelt dan ook op haar website, dat zij onafhankelijk en goed toezicht op de advocatuur wenst en dit op een wijze die recht doet aan de rol van de advocaat én de cliënt in de rechtsstaat. Dat dat toezicht een wassen neus is en in tegenstelling tot hetgeen de Orde beweert zij malafide advocaten juist (impliciet) aanzet door te gaan met hun onacceptabele handelwijze zal ook op de website overtuigend bewezen worden.

Het zal dus geen verwondering wekken dat de Orde zich fel verzet tegen het wetsvoorstel voor een college van toezicht zoals op 3 juni 2013 bij de Tweede Kamer is ingediend, omdat zij de mening is toegedaan, dat de advocatuur bij het aannemen van die wet op ontoelaatbare wijze wordt beïnvloed door de overheid.
De Orde stelt weliswaar ook voor toezicht te zijn, maar vindt dat dat dan wel goed en effectief toezicht moet zijn en georganiseerd op een wijze die recht doet aan de positie van de advocatuur binnen een rechtsstaat.

Zowel van de overheid als van de Orde allemaal mooie woorden, maar de praktijk is zowel inzake het aangenomen deskundige en integere functioneren van de advocatuur als het beweerdelijke goede toezicht op dat functioneren een totaal andere, zoals reeds op deze website naar voren is gebracht en waaromtrent een stroom van nieuwe bewijsvoering in de komende maanden en jaren zal volgen. Dat malafide advocaten (door dr. Hendrik Kaptein in zijn boek Kwade Zaken? terecht aangeduid als juridische ratten) een desastreuze invloed kunnen hebben op het verloop van een proces en er zelfs veelal toe bijdragen, dat er door de magistraten foutieve uitspraken worden gedaan, is evident.

Gonnie Akkermans