mr. J.P.J.M. Naus (Jeroen)

Foto Naus J.P.J.M. Jeroen

Naam:

Werkzaam bij:

Voorheen werkzaam bij:

Plaats:

Functie:

Telefoonnummer:

Email:

mr. J.P.J.M. Naus (Jeroen)

Dirkzwager Advocaten & Notarissen

Poelmann van den Broek Advocaten

Nijmegen

Advocaat

024 - 381 31 38

Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Mr. Naus heeft zich wegens ernstige misdragingen in de op deze site behandelde rechtszaken twee keer voor de tuchtrechter moeten verantwoorden, zie Tuchtrechtprocedure tegen mr. Naus 1 en Tuchtrechtprocedure tegen mr. Naus 2.

Mr. J.P.J.M. Naus is sinds het jaar 2000 advocaat en is tot 2013 werkzaam geweest bij het in Nijmegen gevestigde advocatenkantoor Poelmann van den Broek Advocaten, het vroegere Hoge van den Broek Advocaten. Per 1 oktober 2013 heeft mr. Naus een nieuwe job en wel bij Dirkzwager Advocaten & Notarissen te Nijmegen, waar dit “toptalent” waarschijnlijk ongestraft kan doorgaan met zijn ernstige misdragingen, zoals bewijsbaar ook begaan in de procedures V.N.I./Hofs c.s. Het getuigt van een narcistische persoonlijkheid, dat deze advocaat zich desondanks als een Top Advocaat durft te presenteren, dit via www.topadvocaten.net.

Eerst zal ik zijn ernstige wetsschendingen tijdens de procedures V.N.I. vs B.Th. Hofs en V.N.I. vs R.T.B. Hofs benoemen en t.z.t. zijn tal van leugens, verdraaiingen, beschuldigingen, beledigingen en ridicule uitspraken, eveneens tijdens die procedures begaan. Hoewel fouten in procedures formeel door de cliënt zijn begaan, spreekt het voor zich, dat de boosdoener de door die cliënt verplicht in te schakelen advocaat is, welke verplichting immers is voortgekomen uit de vermeende “domheid” van de betreffende justitiabele. Ook andere collega’s (vijf in getal) hebben zich tijdens die procedures doen leren kennen als ondeskundig, leugenachtig en wars van iedere integriteit, zich daarbij eveneens nu en dan bedienend van lachwekkende stellingen. Het behoeft geen betoog, dat VJIV ook tal van andere advocaten, waaronder een landsadvocaat en een rijksadvocaat, de maat heeft genomen en hun veelal schokkende ondeskundigheid en handelwijze in de komende tijd successievelijk voor het voetlicht zal brengen, daarbij hun namen (noodgedwongen) prijsgevend.

Foutieve interpretaties van wetten

Wetsartikelen 7:292 BW en 7:293 BW

Onder punt 43 van de Memorie van Grieven (MvGr.) d.d. 24 juli 2007 stelt mr. Naus, dat de huurovereenkomst van rechtswege is geëindigd per 14 maart 2007, waarmee hij demonstreert de wet niet te kennen dan wel doet alsof.

Zijn stelling vindt namelijk geen steun in het recht en evenmin in het afgesloten huurcontract. Het litigieuze huurcontract d.d. 14 maart 2002 vermeldt een huurtermijn van 5 jaar met verlengingsmogelijkheden van telkenmale 5 jaar. Ook vermeldt het huurcontract een opzegtermijn van twaalf maanden. Wetsartikel 7:292 lid 2 BW geeft aan, dat een huurovereenkomst die voor vijf jaar geldt, na het verstrijken daarvan van rechtswege met vijf jaar wordt verlengd. Krachtens het bepaalde in artikel 7:293 lid 2 BW moet een huuropzegging -of deze nu door de huurder of door de verhuurder gedaan wordt- bij deurwaardersexploot dan wel door middel van een aangetekende brief worden verricht. Vaststaat tevens, dat deze opzeggingsformaliteiten nooit hebben plaatsgevonden.

Evenmin is het huurcontract ontbonden door de kantonrechter in haar vonnis d.d. 24 april 2007 ten aanzien van R.T.B. Hofs, omdat zij daarin heeft vastgesteld, dat Hofs jr. vanaf in elk geval 2 november 2002 niet de huurder van het bedrijfspand is geweest, maar een B.V., zijnde Xenon Webstore B.V., en zij vanwege deze vaststelling vanzelfsprekend geen huurovereenkomst tussen V.N.I. en Hofs jr. kon ontbinden, wat er ook van zij, dat de betreffende huurovereenkomst reeds op 25 februari 2004 rechtsgeldig was beëindigd.

Met zijn (foutieve) stelling trachtte deze juridische rat te bereiken, dat R.T.B. Hofs ten onrechte zou worden veroordeeld tot huurbetalingen t/m 14 maart 2007 (dit op grond van nakoming), terwijl in de dagvaarding d.d. 23 december 2003 slechts achterstallige huurpenningen werden gevorderd tot de datum van ontruiming (die heeft plaatsgevonden op 25 februari 2004) en schadevergoeding wegens gederfde huurpenningen t/m 14 maart 2007, omdat de huurovereenkomst anders tot die datum zou zijn doorgelopen (althans wanneer er tussentijds niet door V.N.I. was opgezegd en die opzegging door de huurder was geaccepteerd). Inzake die schadevergoeding zouden er alvorens deze (eventueel) aan V.N.I. zou worden toegewezen vanzelfsprekend de overige discussiepunten tussen partijen inhoudelijk moeten worden behandeld, zoals mr. Naus ook zelf onder punt 43 van de MvGr. heeft gesteld.

Wetsartikel 130 Rv.

Door de bovengenoemde wetsschending en verdere gang van zaken heeft mr. Naus vervolgens tevens wetsartikel 130 Rv. geschonden door te doen alsof hij in de laatste zin van punt 43 een rechtsgeldige wijziging van eis heeft doorgevoerd. Daarvan is echter geen sprake en wel om de volgende redenen:

a) Onder MET CONCLUSIE van zijn MvGr. heeft mr. Naus niet aangegeven, dat hij concludeert met inachtneming van de wijziging van eis, dat. . .

b) In de aankondigende dagvaarding d.d. 14 mei 2007 betreffende het hoger beroep tegen de vonnissen, gewezen op 5 september 2006 en 24 april 2007 door de kantonrechter, verzoekt mr. Naus onder het kopje TENEINDE om “alsnog de in eerste aanleg ingestelde vorderingen van appellante toe te wijzen….” In deze aankondigende dagvaarding wordt dus met geen woord gesproken over een wijziging van eis.

c) Mr. Naus heeft de MvGr. niet genoemd: Memorie van Grieven tevens wijziging van eis, hetgeen ingevolge het Landelijk Procesreglement voor civiele dagvaardingszaken vereist was, dit om ervoor te zorgen, dat het de wederpartij volkomen duidelijk is, dat zij tevens met een wijziging van eis te maken heeft.

Hoe te handelen inzake een eiswijziging is te vinden in artikel 2.9 van het Landelijk procesreglement voor civiele dagvaardingszaken bij de gerechtshoven, welk reglement valt onder wetsartikel 79 RO, zoals is af te leiden uit een uitspraak van de Hoge Raad, zijnde HR 28 maart 1990, NJ 1991, 118.

Mevrouw mr. K. Teuben schrijft in haar proefschrift "Rechtersregelingen in het burgerlijk (proces)recht", ook uitgebracht als boek in de serie Burgerlijk Proces & Praktijk van Kluwer, betreffende het rolrichtlijnenarrest:

“In 1990 is door de Hoge Raad expliciet aanvaard dat beleidsregels van bestuursorganen, welke regels niet op een bevoegdheid tot wetgeving berusten (maar het bestuursorgaan jegens de burger wél binden via de algemene beginselen van behoorlijk bestuur) ook onder het recht als bedoeld in art. 79 RO kunnen vallen, dus rechters kan binden.”

Daarbij verwijst zij ook naar de bovengenoemde jurisprudentie.
Deze regels dienen vanzelfsprekend strikt te worden aangehouden, daar het anders voor de wederpartij vanzelfsprekend onmogelijk is om tegen een eisvermeerdering gemotiveerd bezwaar te maken, waarop hij ingevolge wetsartikel 130 Rv. lid 1 recht heeft.

Wetsartikel 6:91 BW

Mr. Naus heeft het gedurende de procedures doen voorkomen alsof het boetebeding, zoals genoemd in artikel 14.2 van de Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Kantoorruimte een samengestelde rente van 24% over de totale achterstallige huurpenningen vertegenwoordigde. In dat artikel wordt echter een boete van 2% bepaald, die dient ter aansporing dan wel als prikkel om tot nakoming over te gaan. Die 2% dient zodoende slechts berekend te worden over de desbetreffende achterstallige maandhuur en kent bovendien geen cumulatiebepaling, zoals is opgenomen in wetsartikel 6:119a BW lid 3.

Door zijn “misvatting” kwam mr. Naus in de procedure V.N.I./R.T.B. Hofs per 19 januari 2010 uit op het absurde astronomische boetebedrag van € 739.730,06 en in de procedure V.N.I./B.Th.Hofs per 1 april 2010 op een boetebedrag van € 604.321,86, waarna de beide genoemde boetes dus volgens mr. Naus per jaar met 24% samengestelde rente dienden te worden verhoogd. Daarbij dienden die boetes volgens hem ook nog eens door vader en zoon Hofs ieder afzonderlijk te worden betaald, dit naast de zogenaamde achterstand in huurbetalingen van € 531.710,41 terzake R.T.B. Hofs en een bedrag van € 312.633,58 aan huurachterstand terzake B.Th. Hofs, dit deels over de zelfde periode, zijnde april 2003 t/m 16 september 2005. De huurperiode inzake B.Th. Hofs had volgens mr. Naus geduurd t/m 16 september 2005 vanwege opzegging van de huurovereenkomst door een bewindvoerder en inzake R.T.B. Hofs t/m 14 maart 2007, wat er ook van zij, dat die beide data niet tot de mogelijkheden behoorden.

Die afzonderlijke (vermeende) betalingsverplichtingen van de beide heren Hofs hadden te maken met het “slimmigheidje” van mr. Naus door in de loop van de beide procedures de in de tegen beide heren Hofs uitgebrachte dagvaarding d.d. 23 december 2003 opgenomen bepaling: “des dat de een betaalt de ander zal zijn bevrijd” in zijn processtukken met de noorderzon te laten vertrekken. Deze gang van zaken is door de edelachtbaren niet opgemerkt dan wel opzettelijk genegeerd, overtuigd als zij waren van de deskundigheid en integriteit van deze pijler van de rechtsstaat.

In een tuchtrechtprocedure werd deze wandaad evenmin afgestraft, omdat de voltallige Raad van Discipline van mening was, dat mr. Naus slechts had gehandeld ja zelfs moest handelen, zoals zijn opdrachtgever V.N.I. had bevolen, die volgens mr. Naus bij hem de betreffende berekeningen had ingediend. Dat V.N.I. zich nooit ergens mee bemoeid had, het kantoor Poelmann van den Broek zelf de berekeningen had opgesteld en een advocaat ingevolge de wet en de beroepscodes verplicht is de voor de uitspraak van belang zijnde gegevens naar waarheid aan de rechter te communiceren, hetgeen allemaal door Hofs c.s. in de tuchtrechtprocedure was bewezen en verwoord, was voor de eigen vlees keurende slagers van de Raad vanzelfsprekend van geen enkel belang. Het enige doel van zo’n club is immers een “belaagde” vazal de hand boven het hoofd te houden en daarmede tevens de gehele kongsi te beschermen.

Wetsartikel 6:159 BW

Mr. Naus heeft tijdens de procedure V.N.I./B.Th.Hofs een foutieve uitleg inzake dit wetsartikel gegeven. Hij heeft namelijk gesteld, dat er ingevolge dit wetsartikel een officiële akte dient te zijn opgesteld tussen Xenon Computers v.o.f. en V.N.I., die tot onderwerp heeft de rechten en verplichtingen uit de huurovereenkomst met Xenon Computers v.o.f. over te dragen aan Xenon Webstore B.V. en waarin V.N.I. dus verklaart ermee in te stemmen, dat Xenon Webstore B.V. de huurster wordt. Wetsartikel 6:159 BW houdt in werkelijkheid echter in, dat er een akte moet zijn, waarbij een partij bij een overeenkomst (zijnde in het onderhavige geval Xenon Computers v.o.f.) haar rechtsverhouding tot de wederpartij (zijnde V.N.I.) overdraagt aan een derde (in dit geval Xenon Webstore B.V.) in een akte (van bedrijfsoverdracht) tussen (in dit geval Xenon Computers v.o.f.) en (in dit geval) Xenon Webstore B.V. , welke belangrijke akten dus door zowel R.T.B. Hofs als B.Th. Hofs tijdens de procedures zijn overgelegd.

Tevens houdt dit wetsartikel in, dat de wederpartij (zijnde in dit geval V.N.I.) inzake de overdracht van die rechtsverhouding wel haar toestemming dient te geven. Nergens staat in dit wetsartikel echter, dat dit moet gebeuren in een officiële akte of schriftelijk stuk tussen “een partij” en de “wederpartij”, waarin dus expliciet wordt vastgelegd, dat de wederpartij instemt met een contractsovername (in dit geval van de huurovereenkomst) door een derde. De Hoge Raad heeft in 1999 de uitspraak gedaan, dat een dergelijke instemming niet bij uitdrukkelijke verklaring hoeft te gebeuren, zie HR 23 april 1999, NJ 1999, 497.

N.B. In de loop der jaren is gebleken, dat het slechts weinige advocaten is gegeven dit wetsartikel op de juiste manier te interpreteren. Veelal wordt de denkfout à la mr. Naus gemaakt.

Wetsartikel 504a Rv.

Mr. Naus heeft dit wetsartikel geschonden door op grond van het vonnis d.d. 13 april 2010 een notaris opdracht te geven onze woning executoriaal te verkopen.

Artikel 504a Rv. luidt als volgt:

1. Het beslag kan slechts worden gelegd voor een vordering waarvan het geldelijk beloop bepaalbaar is.

2. Zolang de vordering niet is vereffend, kan niet tot executoriale verkoop worden overgegaan.

Rechtswetenschapper mr. A.I.M. van Mierlo schrijft hierover in zijn boek “Burgerlijke Rechtsvordering”, dit onder het hoofdstuk Niet vereffende vordering:

"Een rechterlijke uitspraak of authentieke akte waarin de omvang van de geldvordering niet vaststaat, kan een titel voor executie zijn. Voor het leggen van een executoriaal beslag is niet vereist, dat er sprake is van verhaal van een vereffende vordering. Men denke aan een veroordeling tot vergoeding van schade op te maken bij staat of tot voldoening van bepaalde kosten, waarvan de omvang niet uit de uitspraak blijkt. Het bepaalde in artikel 504a brengt echter mee, dat de verdere executie stil ligt tot de vereffening."

Overigens heb ik mijn twijfels of er in het onderhavige geval überhaupt wel een executoriaal beslag mogelijk was, dit gezien het gestelde in lid 1 van het wetsartikel. Het vonnis meldt onder het kopje 3. Beslissing geen bedrag inzake de achterstallige huur. In r.o. 2.1 is weliswaar gesteld, dat de maandelijks te betalen huur € 7.198,47, excl. B.T.W. (incl. B.T.W. is dat € 8.566,18) per maand bedraagt, maar dat betreft nu juist één van de juridische misslagen van de kantonrechter, omdat dit bedrag een bedrag van € 1.344,29, excl. B.T.W. (€ 1.599,71 incl. B.T.W.) aan koopcomponent inzake door de huurder gekocht meerwerk bevat en niets met huur van doen heeft, van welk belangrijke feit mr. Naus uitstekend op de hoogte was. In r.o. 2.6 van het vonnis is ook te zien, dat de kantonrechter het daar over dat meerwerk heeft, daarbij verwijzend naar de door V.N.I. overgelegde opdrachtbevestigingen, die alle drie betrekking hadden op het betreffende meerwerk en welke orderbevestigingen bovendien een ander bedrijf golden, zijnde Xenon Webstore B.V., waarvan uiteindelijk ook is vastgesteld, dat dat bedrijf vanaf 2 november 2002 de huurster van het pand van V.N.I. is geweest.

Verder wist mr. Naus, dat er in de periode 4 december 2003 t/m 25 februari 2004 het bedrag van € 9.197,-- per maand (dit dus inclusief het koopcomponent en de niet verschuldigde servicekosten van € 357,-- per maand) door de rechtsopvolger van Xenon Webstore B.V., zijnde Xenon B.V., aan de failliete boedel (Xenon Webstore B.V. betreffende) is betaald, inhoudende een totaalbedrag van € 24.831,90, hetgeen door curator mr. Haafkes aan V.N.I. is doorbetaald.

Desondanks heeft mr. Naus aan de betreffende gerechtsdeurwaarder en de verlijdend notaris bericht, dat hij een bedrag van ca. € 237.454,-- aan achterstallige huur over de periode april 2003 t/m 16 september 2005 opeisbaar van B.Th. Hofs te vorderen had, daarbij simpelweg het door de kantonrechter in r.o. 2.1 genoemde maandhuurbedrag van € 8.566,18 (incl. B.T.W.) plus een jaarlijkse indexering te vermenigvuldigen met 29,5 maanden. Hierbij wordt nog opgemerkt, dat mr. Naus ervan op de hoogte was, dat de indexering per 15 maart 2003 door V.N.I. niet was doorgevoerd. Bij dit bedrag had mr. Naus nog een bedrag van € 75.179,15 aan wettelijke rente opgeteld, waarvan mr. Naus dus wist, dat dat veel en veel te hoog was, dit alleen al vanwege het koopcomponent in de maandelijkse betaling en de door mr. Naus ten onrechte aangehouden prijsindexering per 15 maart 2003 over een dus eveneens veel te hoog bedrag, welke indexering bovendien door V.N.I. niet was doorgevoerd. Gelet op ook nog het van de curator ontvangen bedrag van € 24.831,90 is overtuigend bewezen, dat deze advocaat inzake het aan de gerechtsdeurwaarder en de notaris communiceren van het bedrag van € 312.633,58 inzake huurachterstand en rente ernstig over de schreef is gegaan.

Onomstotelijk staat ook vast, dat mr. Naus zijn opdracht tot gedwongen verkoop nooit had mogen verstrekken, dit gelet op de strekking van wetsartikel 504a. Overigens is door B.Th. Hofs met behulp van het juridisch loket en een advocaat aan de hand van het vonnis berekend, dat hij een substantieel bedrag van V.N.I. te vorderen had in plaats van andersom V.N.I. van hem, voortkomend uit veel te hoge betalingen door de huurder in het verleden vanwege de genoemde koopcomponenten, het betalen van nooit verschuldigde servicekosten en de ongerechtvaardigde verrijking door V.N.I. vanwege het na ontruiming en beëindiging van de huurovereenkomst door haar behouden van alle door Xenon gekochte en (deels) betaalde meerwerk, door V.N.I. toegezegde maar nooit verstrekte creditnota’s, huurprijsindexeringen ook over het koopcomponent en tevens over de B.T.W. inzake die koopcomponenten en over de B.T.W. inzake de huur, etc. etc.

Mr. Naus had de mogelijkheid om ingevolge wetsartikel 31 Rv. lid 1 de kantonrechter te verzoeken het juiste bedrag inzake de huurvordering te noemen, maar heeft hier geen gebruik van gemaakt.